5.2. Een verhaal vertellen

Je vertelt een verhaal.

Een verhaal is leuk om naar te luisteren.
De anderen moeten niets doen en jij vertelt.

Misschien vertel je over iets dat gebeurd is. Kijk dan bij "Spreken 3".

Misschien vertel je zomaar een verhaal:
- een verhaal over vroeger
- een sprookje
- een verzonnen verhaal


Enkele tips:
  • Met de volgende zinnen laat je horen dat er een verhaal komt:

Ik zal (eens) een verhaal vertellen.
Er is / er zijn / er was eens ...
+ het verhaal, vaak OVT

Ik zal eens iets vertellen.
Er is / er zijn / er was eens ...
+ het verhaal, vaak OVT

Luister goed. Ik ga vertellen over ... (iets)
Er is / er zijn / er was eens ...
+ het verhaal, vaak OVT

  • Met deze zinnen maak je duidelijk dat het verhaal over de gebeurtenis gedaan is:
  En dat was het verhaal.
Gedaan!


  • Om je verhaal goed te vertellen, moet je ook letten op de volgende dingen:
  - Gebruik de juiste woorden!
- Gebruik mooie en rijke taal.
- Kijk bv. bij "Spreken 1" voor woorden om te beschrijven, bij "Spreken 2" voor woorden over gevoelens.
- Als je tijd hebt om je voor te bereiden, dan zoek je de woorden op.
- Met die woorden maak je goede zinnen. Dat mogen korte zinnen zijn.
- Maak het boeiend voor je publiek (zie ook "Spreken altijd en overal").
- Zorg voor structuur:
- Zorg voor een duidelijk begin (kijk naar de zinnen hierboven).
- Zorg voor een duidelijk einde.
- Als je voor een echt publiek spreekt, kijk dan of iedereen kan volgen.
- Stel voor een echt publiek controlevragen: Snap je? Zie je?

  • Structuur:
Je kan voor structuur zorgen met structuurwoorden.
Met deze woorden zet je alles in de juiste volgorde (chronologisch):

Eerst ... dan / toen ... Daarna ... En dan / toen ... en daarna ... en ten slotte ...