6.4. Handelingen beschrijven

Je vertelt wat je hebt gedaan / Je vertelt wat je doet / Je vertelt wat je aan het doen bent:

  Ik heb / ben ...
(de actie)
VTT
  We hebben / zijn ...
(de actie)
VTT
  Ik / wij ...
(de actie)
OVT
  Ik ben / wij zijn aan het ...
(de actie)
(+ inf.)