6.5. Argumenten geven

Je wil uitleggen waarom je iets vindt, plant, doet

Je wil uitleggen waarom je iets vindt, plant, doet.

Je wil uitleggen waarom je iets gepland hebt of gedaan hebt. Je moet dan argumenten geven.

 

Argumenteren doe je als je met bewijzen een mening of een planning of je acties wil verdedigen tegen (eventuele) kritiek.

 

  • Als je de kans krijgt, bereid dan je argumentatie voor!!

 

Dat kan met een “boomstructuur”:

Boven aan de boom staat de mening, de planning, je acties die je moet verklaren.

Van daaruit lopen verschillende takken naar beneden, naar de argumenten, redenen.

 

Een voorbeeld van een plan voor een mening + argumenten:

 

  • Om je argumenten te structureren gebruik je structuurwoorden:
  Ten eerste …
Ten tweede … Ten derde en ten slotte …
    En ook … Bovendien … en ten slotte …


Voorbeelden:

Bijvoorbeeld: mening:

“Ik vind Vlaamse televisie echt goed.”

 
Argument 1: "Ten eerste leer je echt veel bruikbaar Nederlands."
 
Argument 2: "Ten tweede zijn de programma's echt origineel."
 
Argument 3: "En ten derde zijn de programma's vaak heel grappig."


Bijvoorbeeld: planning:

“We organiseren het feest in een zaaltje.

 
Verklaring 1: “Er is niet genoeg plaats bij ons thuis...”
 
Extra verklaring: “… en we hebben een zaaltje gevonden dat echt niet duur is.”


Bijvoorbeeld: handeling:

“We hebben de kat weggedaan.”

 
Argument 1: "Ze kon nooit buiten."
 
Argument 2: "Ze was vaak alleen."
 
Argument 3: "We hadden vrienden die een kat zochten om muizen buiten te houden."